De hoogte van de opslag van de uitkomende grond in de leidingenstroken mag nooit > 1,00 m boven het maaiveld bedragen.
Uitgegraven grond moet zo worden opgeslagen dat bij het latere aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zoveel mogelijk wordt herkregen.
Aanwezige teelaarde moet separaat worden opgeslagen van de onderliggende lagen, dit in overleg met de beheerder van de grond. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn de ondergrond gescheiden te ontgraven en op te slaan. De opslag moet zijn afgestemd op de plaatselijke grondslag.
Gronddepots mogen niet boven een bestaande ondergrondse leiding worden geprojecteerd.
Indien dit toch nodig is, moet in overleg met de leidingexploitant worden nagegaan of het mogelijk is en welke bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen.