**1..** In deze verordening wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een doorsnede van
de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het
maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede
van de dikste stam. In het kader van een herplant- of
instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en
maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm
dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld.
houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de
stronk uitlopen;
dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
houtopstand;
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
Moreau);
iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.
**2..** In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip
van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of
ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen
hebben.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op het bewaren van houtopstanden Dinkelland 2005