Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 10

Betalingsverplichting en -capaciteit

Onderdeel van Beleidsregels handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015

1.. Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 2.. De termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden bedraagt op grond van art. 4:87 van de Awb zes weken. 3.. Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. 4.. De wijze van onderzoek en de controle op mogelijke mutaties worden nader beschreven in werkinstructies. 5.. Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa. 6.. Elk voorstel van de belanghebbende, waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden wordt betaald, wordt geaccepteerd. 7.. Deze regel wordt alleen toegepast bij belanghebbenden waarvan de uitkering is beëindigd en er verder geen bestaande vorderingen aanwezig zijn. 8.. Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaan. 9.. Algemeen gebruikelijke huisraad wordt aan de belanghebbende gelaten. 10.. De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet (als basis daarvoor geldt: 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm met eventuele gemeentelijke toeslag (inclusief vakantietoeslag)) overschrijdt. In de praktijk kunnen zich verfijningen voordoen. Deze worden in een werkinstructie nader uitgewerkt. 11.. De hoogte van de betalingsverplichting wordt mede bepaald door de ontstaansgrond van de vordering. Zo geldt bij fraudevorderingen dat van de belanghebbende een zo groot mogelijke inzet van het aanwezige inkomen en vermogen dient te worden gevergd. 12.. Indien en voor zover geïndiceerd wordt de beslagvrije voet conform artikel 475d, vijfde lid Rv verhoogd. 13.. Met betrekking tot zowel fraudevorderingen als niet-fraudevorderingen wordt de betalingscapaciteit volledig in aanmerking genomen. 14.. Bij de vaststelling van de betalingscapaciteit in het inkomen wordt rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. 15.. Het toerekenen van de betalingen gebeurt in een vaste volgorde: de invorderingskosten (inclusief rente), de boete, oudste fraudevordering en jongste vordering (twee laatstgenoemde vorderingen inclusief rente). 16.. Het college kan de aflossing op een vordering die niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, respectievelijk artikel 13, eerste lid van zowel de IOAW als de IOAZ opschorten, als het college van oordeel is dat dit noodzakelijk is voor het welslagen van een eventueel participatietraject van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel