Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 6.

Schending verplichtingen

Onderdeel van Maatregelverordening 2015

1.. Een gedraging waardoor de arbeidsverplichtingen niet of onvoldoende wordt nagekomen of een aanvullende verplichting van artikel 55 van de Participatiewet niet wordt nagekomen of de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid, onderdeel g van de IOAW en de IOAZ, leidt tot een maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm over één maand. 2.. In afwijking van eerste lid wordt er een maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm per maand over een periode van twee maanden opgelegd, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van het eerste lid of hiervan wegens dringende redenen is afgezien, opnieuw schuldig maakt aan verwijtbare gedraging van het eerste lid. 3.. In afwijking van eerste en tweede lid wordt er een maatregel van 100 procent van de bijstandsnorm per maand over drie maanden opgelegd, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van het tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in het eerste lid. 4.. Als na toepassing van het derde lid sprake is van het volharden van de gedragingen, kan het college de uitkering telkens voor drie maanden verlagen met 100 procent van de bijstandsnorm per maand. 5.. In afwijking van het eerste lid wordt, indien het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen uitsluitend betreft het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie, de belanghebbende schriftelijk verzocht dit verzuim te herstellen. Pas nadat de belanghebbende binnen de daartoe gestelde termijn geen gevolg geeft aan dit verzoek, wordt toepassing gegeven aan het eerste tot en met het vierde lid. 6.. In afwijking van het eerste lid wordt, indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid, onderdeel g van de IOAW en de IOAZ, deze gedraging behandeld conform het agressieprotocol van de gemeente Ooststellingwerf. In dat geval kan het college tevens besluiten een verzoek tot strafvervolging bij het Openbaar Ministerie in te dienen. Indien na toepassing van het gestelde in de eerste volzin blijkt dat belanghebbende de zeer ernstige misdraging voortzet of herhaalt, wordt alsnog toepassing gegeven aan het eerste tot en met het vierde lid. 7.. Indien de gedraging, bedoeld in het eerste lid, het gebruik van fysiek geweld betreft, wordt een herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 5 te allen tijde afgewezen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel