Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 7.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Maatregelverordening 2015

1.. Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.. Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening wordt in ieder geval gerekend: het verwijtbaar verlies van inkomen anders dan inkomsten uit arbeid; het onverantwoord besteden of te snel interen van vermogen; het door eigen toedoen geen gebruik (meer) kunnen maken van voorliggende voorzieningen, waaronder begrepen sociale zekerheidsuitkeringen; 3.. Voor zover de gedraging, bedoeld in het eerste en het tweede lid, leidt tot een beroep op uitkering of periodieke bijzondere bijstand voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 12 van de Participatiewet, wordt de maatregel vastgesteld op: 10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000; 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000; 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of hoger. 4.. De duur van de maatregel wordt vastgesteld op twee maanden, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel of hiervan is afgezien wegens dringende redenen, opnieuw sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet. 5.. De duur van de maatregel wordt vastgesteld op drie maanden, als binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel als bedoeld als bedoeld in het vierde lid is toegepast, opnieuw sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet. 6.. Artikel 4 vierde lid van deze verordening is niet van toepassing op het bepaalde in dit artikel. 7.. Voor zover de gedraging, bedoeld in het eerste en het tweede lid, leidt tot een aanvullend beroep op incidentele bijzondere bijstand, wordt de maatregel vastgesteld op het bedrag ter hoogte van de incidentele bijstand waarop onterecht beroep wordt gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel