**1..** Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor graafwerk
en bodemingrepen in de archeologische beleidsgebieden zoals
omschreven in artikel 21, lid 1.
**2..** Een ontheffing kan slechts worden verleend indien vooraf door de
aanvrager van de ontheffing door middel van een rapportage van
archeologisch vooronderzoek conform de vigerende KNA en het PvE naar
het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij
realisatie van de bodemingrepen de archeologische waarden in
voldoende mate zijn zeker gesteld.
**3..** Burgemeester en wethouders kunnen aan de verlening van de ontheffing
de volgende voorschriften verbinden:
**a..** de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor
archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
**b..** de verplichting tot het doen van een inventariserend veldonderzoek
of een opgraving;
**c..** de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te
laten begeleiden door een hiervoor vergunninghoudende partij op het
terrein van de archeologische monumentenzorg werkend conform de
vigerende KNA.
**4..** De gevraagde ontheffing kan worden geweigerd, indien de
archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van
het college in situ behouden dienen te
blijven.
**5..** Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in
overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet zijn aangewezen
als beschermd archeologisch (rijks)monument (op de archeologische
beleidskaart aangegeven als archeologisch waardevolle gebieden;
Wettelijk beschermde monumenten).
Hoofdstuk 6
Artikel 23
Ontheffing archeologische beleidsgebieden
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Moerdijk 2014