Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 23

Ontheffing archeologische beleidsgebieden

Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Moerdijk 2014

1.. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in de archeologische beleidsgebieden zoals omschreven in artikel 21, lid 1. 2.. Een ontheffing kan slechts worden verleend indien vooraf door de aanvrager van de ontheffing door middel van een rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de vigerende KNA en het PvE naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld. 3.. Burgemeester en wethouders kunnen aan de verlening van de ontheffing de volgende voorschriften verbinden: a.. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b.. de verplichting tot het doen van een inventariserend veldonderzoek of een opgraving; c.. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een hiervoor vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg werkend conform de vigerende KNA. 4.. De gevraagde ontheffing kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. 5.. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet zijn aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument (op de archeologische beleidskaart aangegeven als archeologisch waardevolle gebieden; Wettelijk beschermde monumenten).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel