1.Een gesprek kan deel uitmaken van het onderzoek.
2.Het college nodigt de cliënt met een hulpvraag zo spoedig mogelijk na de
bevestiging van ontvangst van de hulpvraag uit voor het gesprek.
3.Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger,
voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.
4.Het college kan voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in het eerste lid
eerst de van belang zijnde gegevens voor dat gesprek verzamelen alvorens een
afspraak wordt gemaakt.
5.Bij het gesprek staat het belang van de cliënt centraal.
6.Het college wijst de cliënt voorafgaande aan het gesprek op de
mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan, en betrekt dit bij
het onderzoek.
7.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek,
diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt
toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
8.Afhankelijk van de aard en omvang van de hulpvraag kan het college
personen uit het regionaal diagnostisch team raadplegen.
9.Indien de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van
een gesprek.