Het college neemt de noodzaak tot het verlenen van een individuele voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in ieder geval aan:
wanneer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts een verwijzing naar de individuele voorziening heeft afgegeven, of;
wanneer het verlenen van de individuele voorziening noodzakelijk wordt geacht als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet.