1.Het college verleent met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.1.6 van de wet op verzoek van de jeugdige een pgb indien:
de ouders, al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen, en in staat kunnen worden geacht om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
naar het oordeel van het college voldoende is gemotiveerd dat een individuele voorziening in natura niet passend te achten is, en;
gewaarborgd is dat de voorziening die met het pgb betaald wordt, van goede kwaliteit is.
Het college kan een gezinsplan aanmerken als een verzoek zoals bedoeld in het eerste lid.
De hoogte van het pgb:
wordt gebaseerd op een door de jeugdige opgesteld plan waarin de wijze van besteding van het pgb wordt toegelicht;
wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in natura, en;
is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen.
Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de jeugdige aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, op voorwaarde dat door de jeugdige voldoende gemotiveerd is dat dit tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan het betrekken van de jeugdhulp van een persoon buiten het sociale netwerk, gelet op
de frequentie van de hulp;
het type hulp;
de aard van de hulpvraag waaraan met de verstrekking van het pgb tegemoet wordt gekomen;
de duur van die hulpvraag, en;
de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de jeugdhulp betrokken wordt.
Een pgb wordt niet besteed aan tussenpersonen en belangenbehartigers.