Voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen geldt dat het persoonsgebonden budget in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag welke het college zelf verschuldigd zou zijn, waaronder inbegrepen de genoemde kosten. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6 vijfde lid onder a van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). De hoogte van het persoonsgebonden budget kan daarom ook afhankelijk zijn van de afschrijvingstermijnen die het college overeen is gekomen met de leverancier die de betreffende maatwerkvoorziening in natura levert. Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget ook vaststellen op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigd.