Uitgaande dat de cliënt zich in voorkomende gevallen moet kunnen verplaatsen, bepaalt het eerste lid dat de verplaatsingen betrekking kunnen hebben op de korte afstand en op de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Het kan dus voorkomen dat een cliënt op de korte afstand zijn beperking niet zelf kan oplossen (zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de verordening) maar op de langere afstand wel. Daar zou bijvoorbeeld een algemene voorziening of het reguliere Openbaar Vervoer een passende oplossing voor kunnen zijn. Daarnaast bepaalt het tweede lid wat de reikwijdte is van de leefomgeving. Onder de leefomgeving in het kader van dit hoofdstuk wordt 15 tot 20 kilometer rondom de woning als redelijk aangenomen (vergelijk CRVB:2009:BH4270 en CRVB:2010:BL4037). Het college kan daar in het individuele geval van afwijken.
Zoals in artikel 4.3 van de verordening is bepaald geldt de hoofdregel van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, zoals collectief vervoer (Regiotaxi). De Regiotaxi zal in het individuele geval doorgaans als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. De cliënt die gebruik maakt van de Regiotaxi is daarvoor een ritbijdrage verschuldigd. Daarover stelt het college nadere regels in het Besluit.
HOOFDSTUK 9 BIJDRAGE IN DE KOSTEN
Artikelsgewijs
In dit hoofdstuk van de verordening zijn de regels neergelegd over het verschuldigd zijn van een bijdrage in de kosten voor de gebruikers van maatwerkvoorzieningen, ontvangers van een persoonsgebonden budget en gebruikers van algemene voorzieningen.