Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan afgezien worden als:

  • - de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of
  • - binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de inlichtingenplicht; of
  • - het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.