**1..** De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij
beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes
maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het
bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de
bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de
lOAW of lOAZ is ontvangen.
**2..** Na afloop van de termijn van zes maanden wordt de hoogte van de
maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als
bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 35% van het
bedrag waarmee het inkomen exclusief vakantiegeld meer bedraagt
dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief
vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel lOAW- of
lOAZ-grondslag exclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het
bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in
aanmerking zou komen.
**3..** In afwijking van het tweede lid wordt de aflossingsverplichting
van een fraudevordering en de boete ontstaan op of na 1 januari
2013 vastgesteld op het bedrag als in artikel 12 tweede lid
bedoeld en wordt het in het tweede lid genoemde percentage
verhoogd tot 50%.
**4..** In afwijking van dit artikel wordt de aflossingscapaciteit niet
opnieuw vastgesteld als met de debiteur een betalingsvoorstel is
overeengekomen als genoemd in artikel 12 en deze stipt wordt
nagekomen.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 13.
Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de Participatiewet, lOAW of lOAZ
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Particpatiewet 2015