Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 13.

Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de Participatiewet, lOAW of lOAZ

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Particpatiewet 2015

1.. De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de lOAW of lOAZ is ontvangen. 2.. Na afloop van de termijn van zes maanden wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen exclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel lOAW- of lOAZ-grondslag exclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 3.. In afwijking van het tweede lid wordt de aflossingsverplichting van een fraudevordering en de boete ontstaan op of na 1 januari 2013 vastgesteld op het bedrag als in artikel 12 tweede lid bedoeld en wordt het in het tweede lid genoemde percentage verhoogd tot 50%. 4.. In afwijking van dit artikel wordt de aflossingscapaciteit niet opnieuw vastgesteld als met de debiteur een betalingsvoorstel is overeengekomen als genoemd in artikel 12 en deze stipt wordt nagekomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel