Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 12.

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Particpatiewet 2015

1.. Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de lOAW of de lOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de lOAW en lOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 2.. In afwijking van het eerste lid wordt de aflossingsverplichting voor fraudevorderingen ontstaan op of na 1 januari 2013 en de opgelegde bestuurlijke boete bij een 1^ overtreding bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 3.. In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid, wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover de vordering(en) in zijn geheel binnen een periode van 36 maanden kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. 4.. In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel