**1..** Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de
Participatiewet, de lOAW of de lOAZ, bedraagt de
aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde
bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel de van toepassing
zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en
volgende, van de lOAW en lOAZ per maand inclusief
vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het
bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke
rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**2..** In afwijking van het eerste lid wordt de aflossingsverplichting
voor fraudevorderingen ontstaan op of na 1 januari 2013 en de
opgelegde bestuurlijke boete bij een 1^ overtreding bepaald op
de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van
het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
**3..** In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid, wordt
met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover
de vordering(en) in zijn geheel binnen een periode van 36
maanden kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing
tenminste € 25,00 per maand bedraagt.
**4..** In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een
andere schuldeiser dan het college), kan de
aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor
alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte
zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 12.
Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Particpatiewet 2015