Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3:5

– Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tijdens de uitkering

Onderdeel van Verordening Afstemming en boete Participatiewet 2015

1.. Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, past het college een afstemming toe in de volgende gevallen: het door eigen schuld en toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening; het verwijtbaar verliezen van inkomsten. 2.. Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door onverantwoorde besteding van middelen, stemt het college de afstemming af op de hoogte van het benadelingsbedrag. 3.. De verlaging wordt vastgesteld op: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot enmet € 1.000,-; 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf€ 1.001,- tot en met € 2.000,-; 60% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf€ 2.001,- tot en met € 4.000,-; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedraggroter vanaf € 4.001,-. tot en met € 8.000,-; 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een benadelingsbedragvanaf € 8.001,- plus één maand voor elke € 2.000,- waarmee het benadelingsbedrag boven€ 8.000,- uitstijgt. 4.. Het bepaalde in het eerste lid, laat onverlet de mogelijkheid om onder toepassing van artikel 48, tweede lid, onderdeel b van de wet, het na aftrek van de verlaging resterende recht op bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken tot aan de dag waarop zonder het betoonde tekortschietende besef van verantwoordelijkheid pas recht op bijstand zou zijn ontstaan. 5.. Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet of niet in voldoende mate worden nagekomen, kan het college met inachtneming van artikel 2:1, tweede lid overgaan tot afstemming van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Deze verwijtbare gedraging moet niet vallen onder de artikelen 3:1 en 3:2 en het benadelingsbedrag, zoals bedoeld in het derde lid moet niet bekend zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel