Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
met uitzondering van het gestelde in artikel 3.3, de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij door de verwijtbare gedraging ten onrechte bijstand is ontvangen;
het college hiervoor dringende redenen aanwezig acht.
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal kan op zichzelf geen reden zijn om af te zien van de maatregel.
Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in het eerste lid, op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.5
– Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening Maatregelen en Boetes IOAW en IOAZ 2015