Naar hoofdinhoud
1.. Een maatregel wordt toegepast op de uitkering of op de bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, met ingang van de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende uitkeringsnorm. 2.. In afwijking van het eerste lid kan het college, indien het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz 2004 hebben ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht betrekken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 3.. Eveneens in afwijking van het eerste lid kan een maatregel met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald of als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 4.. Als een maatregel niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt bij hernieuwde toekenning van de uitkering binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de besluitvorming tevens betrokken of het resterende deel van de maatregel alsnog geëffectueerd met worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel