Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van binnenhaven- en kadegeld 2015

Artikel 1 1. Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Wet van 2 juli 1959,Stb. 301); 2. binnenschip een vaartuig, niet zijnde een pleziervaartuig, dat uitsluitend wordt gebruikt voor de vaart op de binnenwateren; 3. dag een aaneengesloten tijdvak van 24 uren; 4. dagdeel een aaneengesloten tijdvak van 12 uren; 5. 1, 7 en 14 dagen een aaneengesloten tijdvak van respectievelijk 1, 7 en 14 dagen; 6. een jaar een kalenderjaar. 7. een kwartaal een kalenderkwartaal; 8. gebruik van de haven het in artikel 2 bedoelde gebruik van de voor de openbare dienst bestemde wateren of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen; 9. vervallen 10. historisch vaartuig vaartuig dat aantoonbaar staat ingeschreven in het Nationaal Register Varende Monumenten als varend monument; 11. ingenomen wateroppervlakte het product van de loodrechte projecties op het wateroppervlak van de grootste lengte en de grootste breedte van het vaartuig; 12. inspecteur de gemeenteambtenaar, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet belast met de heffing van het binnenhaven- en kadegeld; 13. Invorderingswet 1990 de Wet van 30 mei 1990 inzake invordering van Rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen (Stb. 221); 14. kegelschip een vrachtschip dat gevaarlijke stoffen vervoert en bij dag kenbaar is aan 1, 2 of 3 blauwe kegels en bij nacht aan 1, 2 of 3 blauwe lichten; 15. laadvermogen het in tonnen uitgedrukte verschil tussen de zoetwaterverplaatsing van het schip bij de grootst toegelaten diepgang en die van het ledige schip; 16. maand een kalendermaand; 17. meetbrief het document als bedoeld in artikel 782, derde lid, van het Wetboek van koophandel juncto het Besluit binnenschependocumenten (besluit van 24 oktober 1983, staatsblad nr. 548); 18. ontvanger de gemeenteambtenaar, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet, belast met de invordering van het binnenhavengeld; 19. pleziervaartuig een vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de niet-bedrijfsmatige recreatie en waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt zulks met uitzondering van een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren, een veerpont, een vissersschip, een sleep- of duwbak; 20. Pleisterplaats een door het college op grond van artikel 5.25a van de APV aangewezen ligplaats in openbaar water waar het toegestaan is voor pleziervaartuigen om voor de duur van maximaal drie maal vierentwintig uur een ligplaats in te nemen en die als zodanig met bebording is gemarkeerd. 21. schip een binnenschip; 22. ton een massa van 1000 kilogram; 23. tabel de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel; 24. termijn een in de tabel genoemd tijdvak waarin het gebruik van de haven plaatsvindt; 25. tijdseenheid, maten en gewicht een gedeelte van een dag of dagdeel, een nacht, een etmaal, een week, een maand, een kubieke meter, een vierkante meter, een strekkende meter en duizend kilogram voor een gehele dag of dagdeel, een gehele nacht, een geheel etmaal, een gehele week, een gehele maand, een gehele kubieke meter, een gehele vierkante meter, een gehele strekkende meter en duizend kilogram gerekend; 26. vaartuig een drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebezigd dan wel bestemd of geschikt is voor het dragen of vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen of vervoer van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen; 27. vrachtschip een binnenschip dat hoofdzakelijk gebezigd wordt voor het vervoer van goederen; 28. waterverplaatsing de waterverplaatsing vermeld in de geldige Nederlandse meetbrief of de buitenlandse meetbrief, indien deze met de Nederlandse meetbrief is gelijkgesteld, bij gebreke waarvan de waterverplaatsing door het college wordt vastgesteld; 29. wachtplaats een plaats gelegen in een vaarweg, bedoeld voor het innemen van een ligplaats met: ·vaartuigen die wachten op opening van de brug en sluis of; ·vaartuigen die beroepsmatig in gebruik zijn, niet zijde een woonschip of een recreatievaartuig, voor maximaal aaneengesloten duur  van twee maanden, wachtend op de mogelijkheid tot het lossen van lading of het aannemen van nieuwe lading. 30. woonschip een schip uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebruikt of tot woning bestemd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel