Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

Aard van de heffing en belastbaar feit

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van binnenhaven- en kadegeld 2015

1.. Onder de naam binnenhavengeld wordt een recht geheven ter zake van het gebruik met een vaartuig overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentewateren of van andere voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen, die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente. 2.. Onder de naam “kadegeld” wordt een recht geheven wegens het reserveren, het gebruik of het genot van de hier onder lid 3 genoemde kaden of steigers die in eigendom van de gemeente zijn of die voor rekening van de gemeente worden onderhouden door: daaraan met een vaartuig aan te leggen; daaraan met een vaartuig een vaste plaats of met een woonschip een vaste ligplaats in te nemen; daarop of daaraan te laden of te lossen; daarop of daarboven ten behoeve van of als gevolg van het laden of lossen één of meer voorwerpen te hebben. 3.. Kadegeld wordt geheven op de kades zoals gespecificeerd in het Uitvoeringsbesluit Binnenhaven- en kadegeld. 4.. Het college kan voor bepaalde of onbepaalde tijd kaden of steigers aanwijzen waarop het recht van kadegeld wordt geheven indien de gemeente werkzaamheden verricht ten behoeve van het ordentelijk gebruik van deze kaden.

Rechtspraak bij dit artikel