Naar hoofdinhoud

Artikel 5.

Terugvordering van gezinsleden

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en Invordering en verhaal Participatiewet gemeente Haarlem

1.. Onverminderd het bepaalde onder artikel 4 worden kosten van bijstand, als de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle personen die het gezin vormen teruggevorderd. 2.. Als de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat belanghebbenden verplichtingen niet of niet behoorlijk zijn nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de gezinsleden met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. 3.. Als de bijstand terecht als gezinsbijstand is verstrekt, maar de belanghebbende toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 Participatiewet, of artikel 30c tweede en derde lid van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Worden de kosten van de bijstand mede teruggevorderd van de gezinsleden met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. 4.. De onder de voorgaande leden genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd. Artikel 6. Brutering De terugvordering van bijstand omvat ook de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. INVORDERING Artikel 7.Verplichtingen met betrekking tot de invordering Voor debiteuren met een lopende uitkering bij de hoofdafdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem (SZW) wordt de betalingsverplichting geïncasseerd door middel van inhouding op de maandelijks verleende uitkering ingevolge de Participatiewet op grond van artikel 6: 127 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de inhouding bedraagt maandelijks 6% van de betreffende bijstandsnorm, tenzij de cliënt verzoekt een hoger bedrag in te houden. Bij een boete en/of fraudevordering of invorderingskosten wordt tevens het vakantiegeld ingehouden. Bij beëindiging van de uitkering worden alle vorderingen ineens opgeëist. Als blijkt dat betrokkene de schuld niet ineens kan voldoen, kan hij verzoeken om een ander aflossingsbedrag. a. In beginsel worden alle niet fraudevorderingen binnen 36 maanden afgelost met een bedrag van minimaal € 20,00 per maand. Als niet fraudevorderingen niet binnen 36 maanden kunnen worden afgelost, stellen burgemeester en wethouders een onderzoek in naar de hoogte van het inkomen teneinde een aflossingscapaciteit vast te stellen voor de duur van 12 maanden. Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. Het aflossingsbedrag, dat onderling is overeengekomen, geldt als een betalingsregeling; Een netto-vordering wordt in deze gevallen altijd met de hoogste prioriteit afgelost conform uitvoering te geven aan artikel 58 lid 4 Participatiewet. Artikel 8. Vaststellen aflossingscapaciteit voor belanghebbenden die niet langer een Participatiewetuitkering voor levensonderhoud ontvangen. De hoogte van de aflossingscapaciteit wordt vastgesteld door op het netto-inkomen per maand de volgende bedragen in mindering te brengen: de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm verhoogd met een forfaitair percentage van 10 en de meerkosten van betrokkene voor huur en ziektekosten en aantoonbare aflossing van preferente schulden in verband met noodzakelijke bestaanskosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel