1.. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • - 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
  • - 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
  • - 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;
  • - 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

2.. In het geval van recidive wordt:

  • - indien in de twaalf maanden voorafgaande aan een besluit waarmee de bijstand wordt verlaagd, al een besluit is genomen waarmee de bijstand van de belanghebbende is verlaagd: het percentage in het eerste lid, onderdelen a, b en c en de periode in het eerste lid, onderdeel d verdubbeld; of
  • - indien in de twaalf maanden voorafgaande aan een besluit waarmee de bijstand wordt verlaagd al een verlaging heeft plaatsgevonden vanwege een recidivegedraging: het percentage in het eerste lid, onderdelen a, b en c en de periode in het eerste lid, onderdeel d verdrievoudigd.