Naar hoofdinhoud
1.. Een standplaats moet door de vergunninghouder persoonlijk worden ingenomen; hij mag de standplaats derhalve niet aan een ander afstaan, in gebruik geven of uitsluitend door een werknemer in loondienst laten bezetten; de vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan; 2.. de standplaatshouder, die wegens ziekte verhinderd is zijn standplaats te bezetten, dient het college daarvan schriftelijk in kennis te stellen; de schriftelijke mededeling moet tijdig voor de dag waarop de standplaats bezet dient te worden, worden ingezonden. Bij plotselinge verhindering dient het college mondeling of telefonisch te worden ingelicht, gevolgd door een schriftelijke bevestiging van deze melding; bij langdurige afwezigheid van een standplaatshouder wegens ziekte, dient van deze verhindering iedere drie maanden een geneeskundige verklaring te worden overlegd; 3.. houders van standplaatsen die wegens vakantie de standplaats niet zullen bezetten, moeten daarvan tijdig, onder de opgave van de duur van de vakantie, schriftelijk melding doen aan het college; 4.. in bijzondere gevallen kan door het college aan een standplaatshouder, op schriftelijk verzoek, tijdelijk ontheffing worden verleend van de verplichting om persoonlijk op de standplaats aanwezig te zijn; 5.. bij het innemen van de standplaats moet de standplaatsvergunning te allen tijde getoond kunnen worden aan de door het college daartoe aangewezen ambtenaar.

Rechtspraak bij dit artikel