Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 11:

Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Onderdeel van Maatregelenverordening participatiewet 2015

In artikel 18, vierde lid van de wet zijn de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Dit zijn: Het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; Het voldoen aan een door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere gemeente voordat men naar die andere gemeente verhuist; Het bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag te reizen indien dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; De bereidheid om te verhuizen naar een andere gemeente, indien naar het oordeel van het college er geen andere mogelijkheden zijn voor het verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid mits de belanghebbende een arbeidsovereenkomst van tenminste 1 jaar met een beloning die tenminste gelijk is aan de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm kan aangaan. Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden welke noodzakelijk zijn voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; Het niet belemmeren van het naar vermogen verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag. Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoeken naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende één maand, indien de betrokkene één van deze in het eerste lid genoemde verplichtingen niet nakomt. In beginsel wordt deze maatregel in één keer opgelegd, tenzij er naar het oordeel van het college redenen zijn, overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet deze maatregel over een periode van maximaal drie maanden te spreiden. Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van een besluit zoals bedoeld in het tweede lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van het besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid zoals beschreven in het derde lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. Bij elke volgende recidive binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het laatste maatregelbesluit bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een periode van drie maanden. Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel die wordt opgelegd wegens het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen herzien, indien uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde verplichtingen nakomt. De minimale duur van de maatregel wegens het schenden van een geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening zoals bedoeld in het zesde lid is daarom uitsluitend mogelijk indien deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan 1 maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel