In artikel 18, vierde lid van de wet zijn de zgn. geüniformeerde
arbeidsverplichtingen opgenomen. Dit zijn:
Het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde
arbeid;
Het voldoen aan een door het college opgelegde verplichting om
ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;
Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
in een andere gemeente voordat men naar die andere gemeente
verhuist;
Het bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
reisduur van 3 uur per dag te reizen indien dit noodzakelijk is
voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van
algemeen geaccepteerde arbeid;
De bereidheid om te verhuizen naar een andere gemeente, indien
naar het oordeel van het college er geen andere mogelijkheden
zijn voor het verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen
geaccepteerde arbeid mits de belanghebbende een
arbeidsovereenkomst van tenminste 1 jaar met een beloning die
tenminste gelijk is aan de voor de betrokkene geldende
bijstandsnorm kan aangaan.
Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden welke
noodzakelijk zijn voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden
van algemeen geaccepteerde arbeid;
Het niet belemmeren van het naar vermogen verkrijgen, behouden
of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding,
gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag.
Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
waaronder begrepen sociale activering, gericht op
arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoeken naar zijn
of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet verlaagt het
college de uitkering met 100% gedurende één maand, indien de
betrokkene één van deze in het eerste lid genoemde
verplichtingen niet nakomt. In beginsel wordt deze maatregel in
één keer opgelegd, tenzij er naar het oordeel van het college
redenen zijn, overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet
deze maatregel over een periode van maximaal drie maanden te
spreiden.
Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van een
besluit zoals bedoeld in het tweede lid, bedraagt de maatregel
100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van het
besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van haar
bevoegdheid zoals beschreven in het derde lid, bedraagt de
maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.
Bij elke volgende recidive binnen een periode van 12 maanden na
de bekendmaking van het laatste maatregelbesluit bedraagt de
maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een periode van
drie maanden.
Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel
die wordt opgelegd wegens het schenden van de geüniformeerde
arbeidsverplichtingen herzien, indien uit houding en gedrag
ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde
verplichtingen nakomt.
De minimale duur van de maatregel wegens het schenden van een
geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening zoals
bedoeld in het zesde lid is daarom uitsluitend mogelijk indien
deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan 1
maand.
Hoofdstuk 3:
Artikel 11:
Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Onderdeel van Maatregelenverordening participatiewet 2015