Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4:

Artikel 12:

Ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Maatregelenverordening participatiewet 2015

Indien een belanghebbende: tijdens de bijstandsperiode of in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraag om een uitkering, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en mede als gevolg van deze gedraging een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt bij de volgende gedragingen een maatregel toegepast: het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening; het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van inkomsten; het te snel interen van vermogen. De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien er sprake is van een gedraging zoals bedoeld onder het eerste lid onder a tot en met c. Indien de belanghebbende zich binnen een periode van 12 maanden opnieuw schuldig maakt aan dezelfde gedraging dan wordt de maatregel verdubbeld. Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt en wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende één maand. Is er sprake van een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid onder d dan wordt de maatregel afgestemd op het bedrag dat naar het oordeel van het college te snel is ingeteerd. De maatregel als bedoeld in het vierde lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: bij een te snel ingeteerd bedrag tot € 1.000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden; bij een te snel ingeteerd bedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden; bij een te snel ingeteerd bedrag van € 2000,- tot € 4000,-:40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden; bij een te snel ingeteerd bedrag van € 4000,- tot € 10.000,-: 50% gedurende zes maanden; en bij een te snel ingeteerd bedrag van € 10.000,- of meer 50% gedurende twaalf maanden. In het geval dat een belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de eerdere verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.

Rechtspraak bij dit artikel