Als met de maatregel de uitkering wordt verlaagd, kan deze
verlaging op twee momenten ingaan:
Als de uitkering over de betreffende maand nog niet is
uitgekeerd, wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag nadat
het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.
Als de uitkering over de betreffende maand al is uitgekeerd,
wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag van de maand nadat
het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.
Als de belanghebbende bijzondere bijstand ontvangt op basis van
artikel 12, 36 of 36b van de wet, kan het college de maatregel
toepassen op de in dat kader verleende bijzondere bijstand.
Als een maatregel wordt opgelegd op bijzondere bijstand die op
grond van artikel 12 van de wet wordt verstrekt, dan is deze
maatregel – zowel wat hoogte (percentage) als duur betreft –
gelijk aan de maatregel die wordt opgelegd op de algemene
bijstand. De artikelen 9 tot en met 15 van deze verordening zijn
van toepassing op beide soorten maatregelen, maar dan moet wel
in plaats van bijstandsnorm worden gelezen:
‘bijzondere bijstand verstrekt op grond van artikel 12 van de
wet’.
De maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd, als
na de maatregelwaardige gedraging het recht op algemene bijstand
wordt beëindigd of ingetrokken. De grondslag is de bijstandsnorm
die geldig is op de ingangsdatum van de maatregel. De maatregel
kan niet eerder ingaan dan de dag waarop de gedraging heeft
plaatsgevonden.
In afwijking van het eerste lid, als blijkt dat op het moment
van de aanvraagprocedure er sprake is van bijstandsbehoeftigheid
door een gedraging zoals beschreven in artikel 18, lid 4, van de
wet dan wordt een maatregel opgelegd vanaf de ingangsdatum van
de toegekende uitkering voor zover die niet ligt voor de
betreffende gedraging.
Kan een maatregel, ondanks het bepaalde in zevende lid, niet
volledig worden uitgevoerd, omdat de uitkering wordt beëindigd?
Dan wordt deze alsnog uitgevoerd, als de belanghebbende binnen
een periode van één jaar opnieuw een uitkering ontvangt.
In die gevallen waarin een maatregel niet volledig kan worden
uitgevoerd, omdat de hoogte van de uitkering onvoldoende is, kan
het bedrag van de maatregel verdeeld worden over meer
maanden.
Een maatregel die wordt opgelegd wegens het schenden van de
verplichtingen voor een periode van meer dan drie maanden, wordt
uiterlijk na drie maanden nadat deze wordt uitgevoerd,
heroverwogen.
Hoofdstuk 1:
Artikel 7:
Hoe de maatregel wordt opgelegd
Onderdeel van Maatregelenverordening participatiewet 2015