Naar hoofdinhoud
Aan de bijstand ligt het beginsel ten grondslag, dat een ieder primair zelf verantwoordelijk is om in de eigen bestaanskosten te voorzien. Artikel 18, tweede lid, van de Pw maakt het mogelijk dat de bijstand wordt verlaagd, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef betoont van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Enige tijd is omstreden geweest of dit in het algemeen ook gold voor bijzondere bijstand. De Centrale Raad van Beroep heeft daaraan een einde gemaakt in de uitspraak d.d. 2 maart 2010, LJN BL7308, zaak nr. 08/3397 WWB, RSV 2010,123, waarin de Centrale Raad van Beroep hieromtrent het volgende overweegt: “Die beoordeling (of een belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de bijzondere bijstand moet doen) dient plaats te vinden in het kader van de toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening (...).” Ook in de uitspraak d.d. 18-12-2012, zaaknummer 11/2483 WWB-T, BZ3638, en in de uitspraak d.d. 08-11-2011, zaaknummer 09-3765 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4465 zijn soortgelijke overwegingen van de Centrale Raad van Beroep vermeld. De conclusie is dus dat voor geheel of gedeeltelijke weigering van bijzondere bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan een rechtsgrond moet zijn neergelegd in de Maatregelenverordening. Dat is geschied met dit artikel 19. Voor wat betreft de relatie met het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van deze verordening, waarin is vermeld dat verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand, wordt nog opgemerkt dat die bepaling uitsluitend ziet op de situatie waarin daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. Als dat niet het geval is, kan er immers ook geen verlaging plaatsvinden. Artikel 19 voorziet juist in de mogelijkheid om bijzondere bijstand af te wijzen. Een belanghebbende die ofwel verwijtbaar gedrag heeft vertoond als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder a van de Pw (d.w.z. algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard of behouden) ofwel tekortschietend besef betoont van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan zowel algemene als bijzondere bijstand aanvragen. In dat geval ontvangt belanghebbende niet alleen tijdelijk geen algemene bijstand (op grond van het bepaalde in artikel 8 dan wel artikel 12 van deze verordening), maar ontvangt daarnaast geen bijzondere bijstand (op grond van het bepaalde in artikel 19 van deze verordening). Hiermee wordt die belanghebbende dan niet dubbel gestraft, omdat het in het ene geval algemene bijstand betreft en in het andere geval bijzondere bijstand en die beide soorten bijstand los van elkaar staan. Bovendien zijn er belanghebbenden die geen algemene bijstand ontvangen of aanvragen maar uitsluitend bijzondere bijstand aanvragen. Ook op hen is het bepaalde in artikel 19 van deze verordening onverkort van toepassing. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de IOAW en IOAZ geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kennen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel