Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.6

Individuele ondersteuning

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2015

4.6.1 Inleiding Individuele ondersteuning betreft de ondersteuning van de cliënt bij het zelfstandig kunnen wonen en participeren in de maatschappij. De ondersteuning is gericht op het kunnen verrichten van de dagelijks noodzakelijke activiteiten door de cliënt Individuele ondersteuning kan o.a. bestaan uit: Het organiseren en stimuleren van deelname aan activiteiten in het dagelijks leven; Het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid; Het versterken en bevorderen van het sociale netwerk; Het vergroten en optimaliseren van de inzet van het sociale netwerk; Het stimuleren van sociale contacten en voorkomen van een sociaal isolement; Het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of voeren van regie bij het voeren van een huishouding, waaronder financieel gezonde situatie, een gezonde administratie etc.; Het indien nodig, tijdelijk overnemen van toezicht zodat de mantelzorger wordt ontlast; Het toezien van de Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL)-activiteiten /persoonlijke verzorging voor de cliënt. 4.6.2 Resultaten Diverse resultaten worden afhankelijk van de problematiek van de cliënt en de doelen in het ondersteuningsplan, beoogd door het leveren van individuele ondersteuning. Per cliënt wordt in het ondersteuningsplan bepaald welk van de volgende resultaten van toepassing zijn voor de cliënt zoals: De cliënt woont zelfstandig en slechts onderbroken door tijdige interventies waarbij huisvesting niet in gevaar komt; De cliënt is financieel stabiel (al dan niet met inkomensbeheer/bewindvoering) en heeft een overzicht van de eigen in- en uitgave en kan (verantwoorde) keuzes maken; De cliënt heeft een sociaal netwerk waar hij op terug kan vallen; De cliënt herkent problematiek bij zichzelf (op ieder domein) en kan hierdoor adequaat reageren (hulp inroepen); De cliënt blijft zorgdragen voor zichzelf (balans draagkracht en draaglast), hierbij kan hij/zij zijn Mantelzorger(s) en netwerk inzetten; De cliënt heeft een dagbesteding (parttime/fulltime) en is tevreden met zijn dagbesteding; De eventuele verslaving van de cliënt is onder controle; De cliënt heeft zelden contact met justitie; De cliënt heeft structuur in zijn dag: huishouden, boodschappen, maaltijden, dag- en nachtritme etc. De cliënt houdt zelfstandig een huishouden bij. De ondersteuningsvorm van individuele ondersteuning kent drie niveaus: basis, middel en zwaar. Het niveau sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. A.Individuele ondersteuning (basis) Actie: Stimuleren en toezicht De zelfredzaamheid is minimaal op één leefgebied (zie zelfredzaamheidsmatrix) laag of onvoldoende. De cliënt beschikt over voldoende verandercapaciteit en heeft voldoende mogelijkheden tot ontwikkelen van vaardigheden. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze cliënt veelal een positief effect hebben op alle leefgebieden. Vaak is in het begin de ondersteuning van intensievere aard, voor het aanleren van vaardigheden. In de tweede fase zal de ondersteuning meer gericht zijn op toezicht houden en blijvend inzetten van de aangeleerde vaardigheden. De cliënt (en zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijke leven te structureren en daar zoveel mogelijk regie over te voeren. De inzet van de professional kan fluctueren. B.Individuele ondersteuning (middel) Actie: Helpen bij De zelfredzaamheid is op minimaal één leefgebied onvoldoende. De cliënt beschikt over een beperkte verandercapaciteit en heeft beperkte mogelijkheden tot ontwikkelen van vaardigheden. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze cliënt een veelal stabiliserend tot beperkt positief effect hebben op één of meer leefgebieden. Bij deze cliënt is sprake van onvoldoende vaardigheden en mogelijkheden om in verschillende situaties (op gewenst niveau) te participeren, eigen regie te creëren en te behouden. Behalve de cliënt, speelt de omgeving een belangrijke rol in het realiseren van gewenste participatie. De aard van de vraag kan voorkomen uit een aandoening die gekenmerkt wordt door een fluctuerende intensiteit van ernst, de cliënt kan daarbij “goede” en “slechte” periodes hebben. De inzet van de professional kan hierdoor ook fluctueren. C.Individuele Ondersteuning (zwaar) Actie: Overnemen regie De zelfredzaamheid is op meerdere leefgebieden onvoldoende. De cliënt beschikt over onvoldoende verandercapaciteit en heeft onvoldoende mogelijkheden tot ontwikkeling van vaardigheden. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze cliënt maximaal een stabiliserend effect hebben op één of meerdere leefgebieden. De aard van de vraag komt voort uit een (chronische) aandoening die gekenmerkt kan zijn door een (progressieve) achteruitgang. De cliënt kan hierdoor niet of onvoldoende functioneren op één of meer leefgebieden en de mantelzorger(s)/het gezin is belast met de overname van de taken. Er is sprake van complexe en soms meervoudige problematiek. De inzet van de ondersteuning kan wisselend zijn en is veelal een combinatie van specialistische en acute vragen. Afhankelijk van de fasen/situatie/leefgebied zal deze specialistische inzet, welzijnsactiviteiten of informele ondersteuning zijn. Het ondersteuningstraject is langdurig en specialistisch van aard. Het voorkomen en/of vertragen van achteruitgang van participatie staat centraal. Ondersteuning draagt bij aan het ontlasten van de mantelzorger. Toename van zelfredzaamheid kan mogelijk zijn. 4.6.3 Afwegingskader De inhoud van het resultaat “het kunnen verrichten van de dagelijkse noodzakelijke activiteiten” bestaat uit activiteiten gericht op het verplaatsen en bewegen, het aanbrengen van structuur en regie en het oefenen op de beperking te verminderen en om zelfredzaam te worden. Daarbij moet steeds worden nagegaan of de noodzakelijke activiteiten onder de Zvw, Wlz, Jeugdwet of de Wmo 2015 valt. Allereerst beoordeelt het college of de noodzakelijke ondersteuning op het terrein van de Wmo 2015 ligt. Uitgangspunt is dat alle noodzakelijke activiteiten die onder de Zvw, Wlz of Jeugdwet vallen niet onder het Wmo 2015 resultaat kunnen vallen. Als de belanghebbende een Zvw-indicatie heeft, onderzoekt het college de inhoud daarvan. Heeft de belanghebbende een indicatie voor de Wlz, dan valt hij niet meer onder de Wmo 2015. Een combinatie van een individuele voorziening uit de Jeugdwet en uit de Wmo 2015 is wel mogelijk, bijvoorbeeld een woningaanpassing uit de Wmo en een voorziening begeleiding uit de Jeugdwet. Als uit onderzoek bijvoorbeeld blijkt dat bepaalde noodzakelijke activiteiten nog door belanghebbende kunnen worden aangeleerd en is dit niet geïndiceerd, dan zal het college daarvoor nog een Zvw-indicatie behandeling aanvragen of belanghebbende verwijzen naar zijn zorgverzekeraar. Het resultaat valt dan niet onder de Wmo 2015. Daarna beoordeelt het college in hoeverre een belanghebbende in staat is op eigen kracht het resultaat te bereiken. Het kan zijn dat huisgenoten kunnen helpen op grond van de “gebruikelijke zorg”. Zo is bijvoorbeeld het bijhouden van de administratie een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in een huishouden. Kan één van de huisgenoten dit niet meer doen dan zullen eerst de andere huisgenoten dit over moeten nemen. Pas als ook zij dat niet kunnen, kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening ontstaan. Verder beoordeelt het college of het steunsysteem van belanghebbende of een vrijwilliger kan helpen, of dat er algemene voorzieningen zijn die een bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van het resultaat. Het college houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigen de overbelasting van de mantelzorger een maatwerkvoorziening aan de verzorgde belanghebbende worden toegekend. Als het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat zal het college een maatwerkvoorziening moeten toekennen. Vervolgens bepaalt het college wat noodzakelijk is om belanghebbende in staat te stellen de dagelijks noodzakelijke activiteiten te (laten) verrichten. Het gaat daarbij om een selectie uit de hierboven genoemde groepen activiteiten. - Stimuleren en toezicht (basis); - Helpen bij (middel); - Overnemen regie (zwaar). Hierbij bepaalt het college tevens de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij het bepalen van de omvang neemt het college de normtijden zoals vastgelegd in “tabel gemiddelde tijden begeleiding” als uitgangspunt. Per activiteit bepaalt het college de omvang. Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. Deze normuren zijn afkomstig uit de CIZ indicatiewijzer. Op basis van individueel maatwerk kan het college afwijken van deze normtijden.

Rechtspraak bij dit artikel