Naar hoofdinhoud
Bij de tracébepaling van leidingen zijn drie aspecten van belang: -de horizontale ligging; -de verticale ligging; -de onderlinge afstand tussen de kabels en leidingen in de ondergrond. Het doel van deze liggingen is een optimaal gebruik van de openbare ruimte, een ongestoorde exploitatie van leidingen en het optimaliseren van de veiligheid. 1.. Het normprofiel bij herontwikkeling / nieuwbouw wordt door de betreffende (project)ontwikkelaar met de netbeheerders en gemeente afgestemd en ter vaststelling aan de toezichthouder voorgelegd. 2.. Bij nieuwe kabel- en leidingstroken worden de richtlijnen van NEN 7171 zoveel mogelijk in acht genomen. 3.. Horizontale ligging: In het tracé, bij een tracébreedte zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens of gevel, geldt als richtlijn dat distributieleidingen volgens een vaste volgorde worden ingedeeld (zie normprofielen hoofdstuk 7). In het overig deel van de openbare weg liggen de transportleidingen. De normprofielen uit hoofdstuk 7. zijn indicatief waardoor de werkelijke situatie kan afwijken en de gemeente genoodzaakt wordt een andere indeling te bepalen. In bermen langs rijbanen is de afstand tot de zijkant van de verharding ten minste gelijk aan de diepteligging, tenzij anders wordt overeengekomen. 4.. Aanvullende eisen voor horizontale ligging: Werkzaamheden aan- of bij groenvoorzieningen en bomen worden zoveel mogelijk vermeden. Is dit onvermijdelijk dan wordt eerst overleg met de gemeentelijke toezichthouder gevoerd, ongeacht of er sprake is van een verlegging in een nieuw- of een bestaand tracé. Bij het passeren van bomen moeten een aantal in dit handboek omschreven voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan bomen en/of te leggen kabels of leidingen voorkomt. Waar mogelijk zal bij voorkeur een alternatieve route worden gekozen. Indien voor nieuwe kabels een tracé buiten de wortelzone niet mogelijk is, kan de gemeente bepalen dat de wortelzone gepasseerd moet worden door het boren van mantelbuizen onder de wortelzone dan wel andere maatregel te treffen. CROW publicatie 208 wordt hierbij als uitgangspunt genomen. 5.. Verticale ligging Richtlijn is dat distributieleidingen en transportleidingen bij een standaard tracébreedte zonder bomen en gerekend vanaf erfgrens, volgens een vaste diepte worden ingedeeld (zie normprofielen hoofdstuk 7). Voor aanleg kabels en leidingen geldt een minimale gronddekking van 50 cm. In bepaalde situaties en in overleg kan de gemeente een andere diepteligging toestaan. Uitgangspunten bij verticale ligging: distributieleidingen liggen niet dieper dan transportleidingen; vrij verval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen; bij kruisingen van kabels en leidingen met andere kabels en leidingen bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m (uitgezonderd huis aansluitleidingen riolering); strook tussen 0,70 m en 0.90 m beneden het (toekomstige) maaiveld voor de huisaansluiting van het riool vrijhouden. 6.. Aanvullende eisen voor verticale ligging Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren / persen leiding onder de bestaande leiding moet worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat moet aantoonbaar worden gegarandeerd om afwijkingen tijdens de uitvoering op te vangen. Bij het kruisen van sloten / open watergangen moet een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang worden aangehouden. Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte moet een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem worden aangehouden. 7.. Kruising gesloten verhardingen Het opbreken van gesloten verhardingen is zonder voorafgaand overleg met- en verkregen toestemming van de toezichthouder niet toegestaan waarbij door aanvrager aangetoond moet worden dat de gewenste opbreking niet te vermijden is. 8.. Ligging nabij andere objecten Objecten die kunnen worden beïnvloed door de tracering en aanleg van leidingen moeten vooraf door de aanvrager worden geïdentificeerd. Objecten kunnen onder meer zijn: bestaande wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, primaire- en secundaire waterkeringen, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende leidingen, bomen en gebouwen.

Rechtspraak bij dit artikel