**1..** Alvorens een asfaltconstructie te verwijderen moeten de sleufkanten worden ingezaagd. De vrijgekomen materialen worden onderscheiden in:
teerhoudend:
niet teerhoudend.
Asfalt dient te worden verwijderd en verwerkt conform CROW publicatie 210 (richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt). De kosten voortkomend uit de in de CROW publicatie 210 genoemde werkzaamheden zijn voor rekening van de vergunninghouder.
**2..** Binnen 5 werkdagen na ondertekening van het begeleidingsformulier door de uitvoerende partij moet bij de toezichthouder een kopie van het dossier m.b.t. het in lid 1 genoemde worden ingeleverd met daarin opgenomen:
(kopie van de) doorslag (bewijs van ontvangst) van het door de vergunde inrichting ondertekende begeleidingsformulier(en) (waarop aangegeven de aard, de hoeveelheid, de herkomst en de vervoerder).
**3..** De ontstane sleuf in de asfaltverharding moet over de volle breedte worden opgevuld en verdicht tot 0,15 m onder de oppervlakte met zand en een toplaag van 0,25 m menggranulaat 0/31.5. De ondergrond van de fundering en de funderingslaag moeten hersteld en verdicht zijn volgens de vigerende RAW standaard.
**4..** Direct aansluitend aan de verdichting moet de sleuf in de asfaltverharding worden dicht gestraat in ten minste 50 mm vulzand met betonstenen in blokverband in een ligging die geen gevaar oplevert. De bovenzijde van de stenen moeten gelijk liggen met het ingezaagde asfalt. De betonstenen moeten door de vergunninghouder /houder van het instemmingsbesluit voor diens rekening worden geleverd, tenzij anders overeengekomen.
**5..** Bij het graven van een sleuf in de lengterichting langs een gefundeerde weg dient minimaal een afstand van 0,50 m tussen de rand van de sleuf en de rand van de wegfundering te worden aangehouden.
**6..** Oversteekbuizen, mantelbuizen en overige beschermingsmaatregelen dienen minimaal 0,50 m aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen.