De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 2 kan worden ingetrokken
of gewijzigd:
indien onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van de
vergunning of ontheffing zijn verstrekt.
indien aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen
niet zijn of worden nagekomen.
indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen één
jaar na onherroepelijkheid van de vergunning, tenzij in de
vergunning een langere termijn is opgenomen vanwege de
voorzienbare langere uitvoeringstermijn van een project.
indien het een vergunning voor het vellen van meer dan één
houtopstand betreft, geldt dat de vergunning kan worden
ingetrokken indien niet alle houtopstanden, binnen de in lid 3
genoemde termijn, geveld zijn behoudens de in lid 3 gestelde
bevoegdheid tot het in de vergunning voorschrijven van een
langere termijn.