Door personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet kan eenverzoek om een individuele studietoeslag worden ingediend. Onder aanvraag wordt verstaan:
een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb).
Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).
Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend,bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door hetcollege vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld inafdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) diewordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat,de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid,van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing opde aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2,tweede lid,10 van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt alseen verzoek om een individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet.