Voor vorderingen die niet het gevolg zijn van een verwijtbare gedraging of schending van de inlichtingenplicht kan het college besluiten tot kwijtschelding van de openstaande vordering, indien de belanghebbende:
gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en het inkomen de toepasselijke bijstandsnorm niet te boven is gegaan; of
gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of
gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
gedurende twee jaar al dan niet betalingen heeft verricht en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 113,-; of
een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
Hoofdstuk 5
Artikel 15
Voorwaarden voor kwijtschelding van niet verwijtbare vorderingen
Onderdeel van Beleidsregel Terugvordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Brummen