1.. Burgemeester en wethouders verlenen geen subsidie indien:

  • - met het treffen van de voorzieningen het belang van de monumentenzorg niet of in onvoldoende mate wordt gediend;
  • - de kosten van de voorzieningen niet in een redelijke verhouding staan tot het te bereiken resultaat;
  • - met het treffen van de voorzieningen is begonnen voordat de aanvrager een subsidiebeschikking heeft ontvangen;
  • - met het treffen van de voorzieningen is begonnen voordat (indien noodzakelijk) een monumentenvergunning is verleend;
  • - met het treffen van de voorzieningen is begonnen voordat (indien noodzakelijk) een bouwvergunning is verleend;
  • - voor de betreffende voorzieningen binnen een termijn van 15 jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag wordt ingediend subsidie is verleend;
  • - door het toekennen van de subsidie het subsidieplafond zoals bedoeld in artikel 4 wordt overschreden.

2.. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid onder c. en f.