Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2

Criteria

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2015

Een ondersteuningsvrager komt in aanmerking voor een op het individu toegesneden voorziening als: eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen geen adequate oplossing bieden voor de ondervonden problemen of beperkingen. De op het individu toegesneden voorziening is aan de orde als andere oplossingen niet adequaat zijn. De beoordeling of andere oplossingen dan de op het individu toegesneden voorziening voldoende soelaas biedt om de zelfredzaamheid te vergroten of de maatschappelijke deelname te bevorderen, vindt plaats in overleg met de ondersteuningsvrager. Hierbij wordt steeds gekeken of de ondersteuningsvrager zelf, op eigen kracht, een oplossing kan realiseren. Wanneer de eigen kracht ontoereikend is, wordt beoordeeld of en hoe de eigen kracht van de ondersteuningsvrager vergroot kan worden Als op eigen kracht geen oplossing kan worden gerealiseerd, wordt gekeken of binnen het sociale netwerk (waaronder gebruikelijke hulp en mantelzorg) voorzien kan worden in de ondersteuningsbehoefte. Ten aanzien van gebruikelijke hulp zijn nadere regels gesteld (beleidsregels 2.2-1 tot en met 2.2-3). Bij de beoordeling of een beroep kan worden gedaan op het sociale netwerk zal ook moeten worden beoordeeld of er geen overbelasting dreigt te ontstaan of dat er al sprake is van overbelasting. In het onderzoek (zie hoofdstuk 1) zal dan ook een netwerkanalyse moeten plaatsvinden. Van een andere orde is de vraag of in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien door algemeen gebruikelijke voorzieningen. Kenmerkend voor een dergelijke voorziening is dat deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; in de reguliere handel verkrijgbaar is; in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten; past in het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de ondersteuningsvrager, ook al heeft deze een inkomen op minimumniveau. Vrijwel alle tweewielers (met uitzondering van een elektrische fiets voor jongeren jonger dan 16 jaar), auto(accessoires) en de kosten van het gebruik van een auto, verbeteringen aan, in of bij een woning kunnen worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Hierop zijn enkele uitzonderingen mogelijk (zie beleidsregel 2.2-4). Soms is hieraan een afschrijvingstermijn gekoppeld (zie beleidsregel 2.2-5). Als geen beroep kan worden gedaan op de eigen kracht of het sociale netwerk en in de ondersteuningsbehoefte kan ook niet worden voorzien door middel van een algemeen gebruikelijke voorziening, moet beoordeeld worden of een algemene voorziening toereikend kan zijn. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn te vinden in paragraaf 2.1.4. Indien de inschatting is dat de cliënt redelijkerwijs gebruik kan maken van een algemene voorziening, maar de cliënt bedenkingen heeft, kan een proefperiode worden overwogen. Gedurende deze periode kan de cliënt wennen aan de algemene voorziening. Als in of na deze periode blijkt dat de algemene voorziening geen oplossing biedt voor de ondervonden problemen of beperkingen, vindt opnieuw een gesprek met de ondersteuningsvrager plaats. Mocht een algemene voorziening niet toereikend zijn of niet beschikbaar zijn, dan zal moeten worden bekeken of er mogelijk aanspraak kan worden gemaakt op andere voorzieningen dan voorzieningen in het kader van de Jeugdwet of de Wmo 2015. Deze andere voorzieningen zijn vrijwel altijd voorliggend aan de op het individu toegesneden voorzieningen. Te denken valt hierbij aan voorzieningen in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Indien nu tijdens het onderzoek blijkt dat er geen andere mogelijkheid is om in de ondersteuningsbehoefte te voorzien anders dan door een op het individu toegesneden voorziening, zal moeten worden beoordeeld welke voorziening of samenstel van voorzieningen het beste kan bijdragen aan het beoogde resultaat. Voorzieningen gericht op het versterken van de eigen kracht (bijvoorbeeld een vaardigheidstraining die overigens ook binnen een algemene voorziening kan worden vormgegeven) geniet daarbij de voorkeur boven het overnemen van taken. Gebruikelijke hulp Beleidsregel 2.2-1 Onder gebruikelijkehulp wordt verstaan de normale dagelijkse hulp die de partner en andere huisgenoten (waaronder kinderen) geacht worden elkaar te bieden omdat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. Het niet gewend zijn om huishoudelijke, ondersteunende (toezicht en begeleiding) en verzorgende taken uit te voeren, is geen reden om van deze regel af te wijken. Beleidsregel 2.2-2 De gebruikelijke hulp is begrensd in tijd voor de werkende en/of de studerende partner of huisgenoot.Zij worden geacht in ieder geval 11,5 uren per week aan huishoudelijke, ondersteunende en verzorgende takente kunnen uitvoeren.Bij huisgenoten onder de 18 jaar moet rekening wordengehouden met de leeftijd voor wat betreft het uitvoeren van huishoudelijke en verzorgende taken. Beleidsregel 2.2-3Als het gaat om de hulp van ouders aan kinderen kan voor gebruikelijke hulp een onderscheidworden gemaakt naar de leeftijd van het kind, waarbij de gebruikelijke hulp voor kinderen tot 4 jaar vrijwel onbegrensd is en de gebruikelijke hulp voor kinderen vanaf 12 jaar langzaam afneemt naar het aantal uren per week in de vorige beleidsregel: -tot 4 jaar is het kind volledig op de hulp van de oudersaangewezen; - van 4 tot 12 jaar is het kind voor wat betreft het toezicht en begeleiding bij de ontwikkeling nog volledig op de oudersaangewezenmaar bij de persoonlijke verzorging is nog maar beperkt hulp nodig en de dagbesteding bestaat uit het volgen van onderwijs (tot 25 uur per week). - van 12 tot 18 jaar is geen voortdurend toezicht meer nodig en er is geen hulp meer nodig bij de persoonlijke verzorging; wel is nog begeleiding nodig bij ontplooiing en ontwikkelingen de dagbesteding bestaat uit het volgen van onderwijs. Algemeen gebruikelijk Beleidsregel 2.2-4 Een algemeen gebruikelijke voorziening kan bij wijze van uitzondering als een op het individu toegesneden voorziening worden aangemerkt als de ondersteuningsvrager niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van de voorziening. Hiervan is in ieder geval sprake als: - het inkomen van de ondersteuningsvrager door de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, rekening houdend met de afschrijvingstermijn, minder gaat bedragen dan de voor de ondersteuningsvrager geldende bijstandsnorm, tenzij - een vergelijkbare voorziening tot het gangbare bestedings- en gebruikspatroon van een persoon met een minimuminkomen behoort. Afschrijvingstermijn Beleidsregel 2.2-5Voor keukens en badkamers geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaren en voor alle overige voorzieningen in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen en ondersteuning mobiliteit geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. 2.2.3 Goedkoopst adequate voorziening

Rechtspraak bij dit artikel