Naar hoofdinhoud
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot verhaal van bijstand op onderhoudsplichtigen, op de nalatenschap van de bijstandsgerechtigde of op de ontvangers van een schenking door de bijstandsgerechtigde. 2. Wanneer de bijstandsgerechtigde aanspraak kan maken op een onderhoudsbijdrage maakt het college gebruik van de bevoegdheid in artikel 55 van de wet om aan de bijstand de verplichting te verbinden om, zo nodig met inschakeling van derden, de benodigde acties te ondernemen om te komen tot vaststelling en inning van een onderhoudsbijdrage. 3. Wanneer de in het voorgaande lid bedoelde verplichting in redelijkheid niet van de bijstandsgerechtigde gevergd kan worden, of wanneer de acties van de bijstandsgerechtigde niet leiden tot het gewenste resultaat, alsook bij een mogelijk verhaal van bijstand op een nalatenschap en bij een mogelijkheid van verhaal wegens schenking, beoordeelt het college of gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen conform paragraaf 6.5 van de wet. 4. Bij de in het derde lid bedoelde beoordeling neemt het college in overweging of de woonplaats van de betalingsplichtige bekend is; of er gegevens bekend zijn over het inkomen en het vermogen van de betalingsplichtige en over de duurzaamheid van het inkomen; wat naar verwachting de kosten zullen zijn van onderzoek, vaststelling en invordering van het te verhalen bedrag, en of er bij de bijstandsgerechtigde en/of de betalingsplichtige sprake is van omstandigheden die een dringende reden kunnen zijn om af te zien van verhaal. 5. Het college ziet in ieder geval af van verhaal indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 incidenteel of € 600,00 per jaar. 6. In geval van periodieke betalingsverplichtingen uit hoofde van verhaal van bijstand beoordeelt het college op verzoek van de betalingsplichtige of desgewenst uit eigen beweging, aan de hand van de in de voorgaande leden vermelde criteria of verder gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheid tot verhaal conform paragraaf 6.5 van de wet, alsook of er aanleiding bestaat voor een wijziging van het te betalen bedrag. 7. Het college stelt geen hogere betalingsplicht vast indien: uit het onderzoek blijkt dat de draagkracht met niet meer dan met € 50,00 per maand is vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek, of het woonadres en de gezinssamenstelling van de betalingsplichtige ten opzichte van het laatst verrichte onderzoek gelijk zijn gebleven en het gezinsinkomen van de betalingsplichtige ten opzichte van het laatste verrichte onderzoek met minder dan 15 % bruto is gestegen.

Rechtspraak bij dit artikel