Inhoud onderzoeksfase
Het onderzoek bestaat tenminste uit een gesprek tussen de casusregisseur en de jeugdige en/of zijn ouder(s). Voor het onderzoek kunnen echter ook meerdere gesprekken nodig zijn. Na het eerste gesprek wordt in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders door de casusregisseur een streeftermijn voor de afronding van de onderzoeksfase afgesproken. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet heeft opgesteld, betrekt de casusregisseur dat als eerste bij het onderzoek. De casusregisseur kan met toestemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s) beslissen om een specialist te betrekken bij het onderzoek. Ook kunnen één of meerdere personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het onderzoek worden betrokken.
In het onderzoek wordt de vraag verhelderd. Bij deze vraagverheldering wordt gebruik gemaakt van de zelfredzaamheidsmatrix en een door het CJG-bestuur vastgesteld veiligheidsrisicotaxatie-instrument. Aan de hand van de uitkomsten van de zelfredzaamheidsmatrix en de veiligheidsrisico-taxatie bepalen casusregisseur en jeugdige en/of zijn ouder(s) op welke domeinen er welke resultaten behaald moeten worden en welke acties ondernomen zullen worden om deze resultaten te behalen. Hierbij wordt in oplopende volgorde altijd eerst de mogelijkheden vanuit de eigen kracht en het eigen netwerk onderzocht, vervolgens het gebruik van een overige voorziening en dan pas naar het gebruik van een individuele voorziening.
Wegingsfactoren
Tijdens het onderzoek houdt de casusregisseur rekening met de volgende factoren:
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
het gewenste resultaat van ondersteuning, dit wordt mede gebaseerd op de zelfredzaamheidmatrix en de veiligheidsrisicotaxatie;
de mogelijkheden om het gewenste resultaat te bereiken:
op eigen kracht, waarbij rekening gehouden wordt met:
de balans tussen draagkracht-draaglast: Daarbij geldt dat, wanneer er voor de ouder eigen mogelijkheden en/of andere voorzieningen zijn om (dreigende) overbelasting op te heffen, dan dienen deze eigen mogelijkheden en/of andere voorzieningen hiertoe te worden aangewend.
met gebruikelijke hulp (hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen in bijlage I), waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:
Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Die verloopt voor ieder kind anders, tussen kinderen van dezelfde leeftijd kan de omvang van de zorg dan ook verschillen.
Gebruikelijke zorg bij kinderen is voor elk gezin verschillend en kan daarom ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen.
Van boven-gebruikelijke zorg bij kinderen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de zorg, gelet op de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandelingen, de frequentie van die handelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd, uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft.
Gebruikelijke zorg bij kinderen omvat ook een geïntensiveerde zorgbehoefte als gevolg van een tijdelijk (gezondheids)probleem. Dit is het geval als sprake is van een zorgsituatie van maximaal drie maanden met uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige.
Het door de ouders aan het kind bieden van een beschermende woonomgeving wordt als gebruikelijke zorg aangemerkt, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking.
Bij het oordeel of ouders in staat zijn de gebruikelijke zorg te leveren wordt rekening gehouden met bij de ouder(s) aanwezige geobjectiveerde beperkingen en/of het ontbreken van kennis/vaardigheden om gebruikelijke zorg ten behoeve van de jeugdige uit te voeren en deze vaardigheden ook niet aan te leren zijn;
Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen gebruikelijke persoonlijke verzorging verwacht van een ouder.
met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk
met overige of andere voorzieningen (binnen het zorgdomein of uit andere domeinen zoals publieke gezondheid, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen).
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders, als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, en andere partijen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op het bereiken van het gewenste resultaat;
de bijdrage die een individuele voorziening kan leveren aan het gewenste resultaat.
Overige bespreekpunten
Daarnaast wordt besproken:
of een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is. Dit is conform de wet alleen van toepassing bij ondersteuning buiten de thuissituatie;
De keuzevrijheid bij het kiezen van een aanbieder;
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb en de voorwaarden die hierbij gelden (zie paragraaf 5.1 van deze beleidsregels). De jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van een keuze voor een pgb.
Verslaglegging
De stappen uit het onderzoek worden vastgelegd in een gezinsplan. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het programma ‘Rondom’(het gemeentelijk registratiesysteem jeugd). In dit plan staan tenminste de volgende elementen:
de hulpvraag;
uitkomsten van, eventuele, eerdere onderzoeken;
een verslag van het gevoerde gesprek, waarbij in ieder geval vermeld wordt wat de situatie is op de hierboven genoemde wegingsfactoren;
de gewenste resultaten van de ondersteuning;
de inzet van de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf, hun netwerk, overige of andere voorzieningen;
de aard, omvang en duur van noodzakelijke ondersteuning vanuit individuele voorzieningen;
afspraken over de (tussentijdse) evaluatie.
Familiegroepsplan
Als er een familiegroepsplan is opgesteld, kan dit in samenspraak met de casusregisseur als gezinsplan gaan gelden. De casusregisseur zal toetsen of er uitvoering kan worden gegeven aan het familiegroepsplan en daarover in gesprek gaan met betrokkenen, met als ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de jeugdige en de kwaliteit van de in te zetten hulpverlening conform het Kwaliteitskader van het Besluit Jeugdwet. Indien het familiegroepsplan als gezinsplan kan worden gebruikt en deze voor akkoord is getekend door de casusregisseur, zal de casusregisseur niet ook zelf een gezinsplan gaan opstellen. Wel kan het in de loop van het traject nodig blijken het plan te actualiseren. De casusregisseur zal dat dan bij de opstellers van het familiegroepsplan aan kaarten.
Uitkomsten onderzoeksfase
Uit het onderzoek kunnen verschillende uitkomsten komen:
De casusregisseur en de jeugdige en/of zijn ouder(s) concluderen gezamenlijk dat er geen individuele voorziening nodig is. Dan zal niet worden overgegaan op een aanvraag. Deze conclusie wordt in het gezinsplan beschreven en de jeugdige en/of zijn ouder(s) tekent het gezinsplan. Het gezinsplan wordt geregistreerd. Er kunnen uiteraard wel andere afspraken gemaakt worden, zoals het onderzoeken van mogelijkheden in het sociale netwerk of het gebruik van een overige voorziening.
De casusregisseur concludeert dat er geen individuele voorziening nodig is, maar de jeugdige en/of zijn ouder(s) is van mening dat deze wel nodig is. De jeugdige en/of zijn ouder(s) tekent het gezinsplan voor gezien. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet kunnen vinden in de afspraken in het gezinsplan, wordt in het gezinsplan opgenomen op welke onderdelen de jeugdige en/of zijn ouder(s) een afwijkende mening heeft en waarom. De jeugdige en/of zijn ouder(s) kan er voor kiezen om wel een aanvraag in te dienen.
De casusregisseur en jeugdige en/of zijn ouder(s) concluderen dat er een individuele voorziening nodig is. De casusregisseur en de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondertekenen het gezinsplan voor akkoord. Vervolgens dient de jeugdige en/of zijn ouder(s) een aanvraag voor een individuele voorziening in bij de gemeente.
3. Procedure
Artikel Onderzoek (gesprek en verslag)
Artikel Onderzoek (gesprek en verslag)
Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2015