Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling 3.4 › Paragraaf 7

Artikel 2.7.6

Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen

Onderdeel van nr 07.01 c. Bouwverordening Zevenaar 2007 (toelichting en bijlagen toelichting)

Lid 3 In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er – met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie – op worden toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen. Lid 4 Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 3218 ‘Buitenriolering onder vrij verval – Aanleg en onderhoud’ die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is verschenen. Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, ‘Binnenriolering in woningen en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden’ formeel slechts toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de ‘huis’-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen. Lid 5 De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is voorgeschreven. Lid 6 Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel. 3 De melding (vervallen)

Rechtspraak bij dit artikel