1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 28, tweede lid van de IOAW en artikel 28, tweede lid van

de IOAZ en ongeacht de in artikel 7, eerste lid genoemde betalingstermijn gaat het college

indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de

vordering met een eventueel recht op bijstand of een uitkering.

2.. Bij beëindiging van de uitkering wordt het recht op vakantiegeld verrekend met de openstaande

vordering(en) en/of de boetes.

3.. Bij vorderingen, ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, en bij boetes

verrekent het college jaarlijks het volledige recht op vakantiegeld met de vordering en/of de

boete.

4.. Bij vorderingen, die niet onstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, kan het

college jaarlijks het recht op vakantiegeld volledig verrekenen met de vordering. Bij derden

beslag verrekent het college in alle gevallen het recht op vakantiegeld met de vordering.

5.. Het college stelt, na ontvangst van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de

belanghebbende op grond van artikel 29, derde of vierde lid van de IOAW en artikel 29, derde of

vierde lid van de IOAZ, onderzoek in naar de door belanghebbende aangedragen bijzondere

omstandigheden, die zouden kunnen leiden tot het buiten toepassing verklaren van artikel 29

eerste lid van de IOAW en artikel 29 eerste lid van de IOAZ, en baseert op dit onderzoek haar

besluit.

6.. Bij dit onderzoek betrekt het college, behalve de gevolgen van de ten uitvoerlegging van artikel

29 eerste, derde of vijfde lid van de IOAW en artikel 29 eerste, derde of vijfde lid van de IOAZ

voor de belanghebbende(n) zelf ook de mogelijke gevolgen voor diens gezin én de mogelijke

maatschappelijke gevolgen.