3.1.1 Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terug- of betalingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting.
3.1.2 De termijn waarbinnen aan deze betalingsverplichting moet worden voldaan bedraagt zes weken. (art. 4:87 AWB)
3.1.3 De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet overschrijdt.
3.1.4 Met betrekking tot zowel fraudevorderingen als niet-fraudevorderingen wordt de betalingscapaciteit volledig in aanmerking genomen.
3.1.5 Bij de vaststelling van de betalingsverplichting en de betalingscapaciteit in het inkomen dient rekening gehouden te worden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende.
3.1.6 Indien en voor zover geïndiceerd wordt de beslagvrije voet conform artikel 475d, vijfde lid Rv verhoogd.
3.1.7 Elk voorstel van de belanghebbende, waarvan de uitkering is beëindigd en er geen bestaande vorderingen aanwezig zijn, waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden betaald wordt, wordt geaccepteerd.
3.1.8 Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa.
3.1.9 Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaan.
3.1.10 Algemeen gebruikelijke huisraad wordt aan de belanghebbende gelaten, conform art 447 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.1.11 Het toerekenen van de betalingen geschiedt conform artikel 4:92, van de AWB.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1
Betalingsverplichting
Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtscelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016