Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

Verrekening, beslaglegging en eventuele rente en kosten

Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtscelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016

3.2.1 Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het betalingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: verrekening met de maandelijks verleende bijstand op grond van artikel 60, derde lid, van de Participatiewet dan wel verrekening met de maandelijkse uitkering op grond van artikel 28, derde lid van zowel de IOAW als de IOAZ; of bij het ontbreken van deze mogelijkheid en nadat een dwangbevel is verzonden een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. 3.2.2 Indien de belanghebbende in gebreke is met tijdige betaling en de vordering in de beslagfase verkeert, wordt de vordering verhoogd met een forfaitair bedrag van 15 % van het op dat moment openstaande bedrag tot een maximum van € 1000,-. 3.2.3. Het college verrekent een vordering die een belanghebbende op hem heeft met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet, tenzij de gevolgen hiervan in geen enkele verhouding staan tot de daarmee beoogde doelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel