5.3.1 Het college besluit tot kwijtschelding bij individuele (verhaals- )vorderingen voor zover de vordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, als bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewet, dan wel artikel 13, eerste lid van zowel de IOAW als de IOAZ, indien de belanghebbende:
gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en; of
gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald of
gedurende drie jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten of
een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de rechtsom in één keer aflost.
5.3.2 Het college besluit per individuele fraudevordering van verdere invordering af te zien indien de belanghebbende voldoet aan het gestelde in artikel 58, zevende lid, onderdeel a, b, c of d, van de Participatiewet, dan wel artikel 25, zesde lid, onderdeel a, b, c of d, van zowel de IOAW als de IOAZ, én het uit doelmatigheidsoverwegingen in geval van de betreffende individuele fraudevordering wenselijk is af te zien van verdere invordering.
5.3.3 Het college gaat niet over tot kwijtschelding als er sprake is geweest van dwanginvordering.
5.3.4 Van het voorgaande artikel kan worden afgeweken indien er sprake is van dringende redenen.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.3
Kwijtschelden na het deels voldoen aan de betalingsverplichting
Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtscelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016