6.1.1 Deze gewijzigde beleidsregels treden in werking op de dag nadat zij zijn bekendgemaakt, zulks onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtschelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015.
6.1.2 Deze beleidsregels worden geciteerd als “Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtschelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016”.
Algemene toelichting
Door middel van het vaststellen van de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 voldoet de gemeenteraad aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 8 Participatiewet, artikel 35 eerste lid aanhef en onderdeel c IOAW en IOAZ.
In de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 en zijn de doelstellingen en uitgangspunten van het handhavingsbeleid benoemd.
Het college is bevoegd om voor de uitvoering van deze verordening nadere regelgeving vast te stellen. Deze regels zijn vastgelegd in de Beleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016.
Handhaving omvat het hele terrein van verplichtingen, waaronder de arbeids- en re-integratieverplichting en de informatie- en inlichtingenverplichting, die aan de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ zijn verbonden.
Het handhavingsbeleid bestaat uit een aantal onderdelen, te weten: preventieve en repressieve fraudebestrijding; boetes; maatregelen; terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal.
De beleidsregels terugvordering, invordering, verhaal en kwijtschelding Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016 gaan op hoofdlijnen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip „hoogwaardig handhaven‟ en de wijze van terugvordering, invordering, verhaal en kwijtschelding. Deze hoofdlijnen worden nader uitgewerkt in richtlijnen en uitvoeringsinstructies.
In de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ is terugvordering van niet-fraudevorderingen een bevoegdheid van gemeenten. De gemeente bepaalt in beleid de terugvorderings- en verhaalregels.
Wanneer handhavingsbeleid wordt vastgesteld hoeft het college slechts naar het beleid te verwijzen wanneer zij gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid.
Vaststellen van kwijtscheldingsbeleid is noodzakelijk omdat in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ geen bepalingen zijn opgenomen inzake kwijtschelding.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2.4.
Zolang de gemeente premies en belastingen kan verrekenen met de belastingdienst of UWV mag niet bruto verrekend worden.
In de praktijk levert het bruto bedrag terugvorderen onbegrip bij belanghebbenden op. De belanghebbende moet namelijk meer terugbetalen dan hij heeft ontvangen en moet via de belastingdienst de betaalde premies en belastingen zien terug te krijgen.
Er wordt daarom gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te zien van de brutering, met uitzondering van terugvorderingen als gevolg van fraude.
Dit op basis van het uitgangspunt dat in geval van fraude alle verstrekte bijstandsbedragen, niet te verrekenen premies en belastingen voor rekening van de belanghebbende moeten blijven.
Artikel 3.1.1
Het is een verplichting om het aflossingsbedrag te voldoen. We hebben dan ook te maken met een betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat het een verplichting betreft, wordt hier bepaald dat een aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of betalingsbesluit geldt als aflossingsverplichting.
De ontstaansgrond van de vordering bepaalt mede de hoogte van de betalingsverplichting. Zo zal van de belanghebbende een grotere inzet van het aanwezige inkomen en vermogen worden gevergd bij fraudevorderingen.
Artikel 3.1.3
Als basis voor de beslagvrije voet geldt: 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
Artikel 3.1.5
Dit artikel biedt de mogelijkheid om maatwerk toe te passen bij het invorderen van niet-fraude- en/of verhaalsvorderingen. De betalingscapaciteit, bestaande uit het verschil tussen netto inkomen en de beslagvrije voet, kan onder invloed van bijzondere, individuele omstandigheden van financiële, sociale of persoonlijke aard worden bijgesteld.
In de praktijk zijn situaties denkbaar waarin de betalingsplichtige moet wennen aan zijn of haar nieuwe inkomenssituatie, bijvoorbeeld bij uitstroom naar werk. Als extra motivatie of stimulans kan de terugbetalingsverplichting van een niet-fraudevordering gedurende een bepaalde aaneengesloten periode van werk (dus uitkeringsonafhankelijkheid) worden opgeschort.
Indien de belanghebbende binnen de afgesproken termijn, door eigen toedoen, terugkeert in de uitkering dan zal de belanghebbende (weer) moeten aanvangen met aflossing op de vordering. Over het voorgaande dienen vooraf heldere afspraken met belanghebbende te worden gemaakt welke vastgelegd dienen te worden in een beschikking.
Art 3.2.2
Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt, dan vindt dwanginvordering plaats. De daaraan verbonden kosten worden in beginsel vastgesteld op een percentage van 15% (artikel 1 Besluit buitengerechtelijke kosten) tot een maximum van € 1000,- . Rente en de kosten van een aanmaning en een dwangbevel worden geacht in dit percentage te zijn verdisconteerd en worden niet afzonderlijk bij de klant in rekening gebracht.
Artikel 3.2.3
De verzamelwet SZW 2013 heeft een wijziging doorgevoerd in artikel 60a lid 4 van de Participatiewet. Hierin is beschreven dat het college bevoegd is om een vordering die een belanghebbende op hem heeft te verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet. In artikel 3.2.3 geeft het college aan gebruik te maken van deze bevoegdheid.
Op grond van artikel 4:84 Awb (inherente afwijkingsbevoegdheid) kan hiervan op grond van bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Een en ander indien en voor zover een strikte toepassing van de betreffende beleidsregel voor een belanghebbende gevolgen heeft die in geen enkele verhouding staan tot de met de daarmee beoogde doelen.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1
Inwerkingtreding
Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtscelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016