In een concreet voorliggend geval kan er aanleiding bestaan om in een bijzondere individuele
situatie toch af te wijken van het vastgestelde beleid, omdat de toepassing ervan onevenredige
gevolgen heeft voor betrokkene. Dit is een wezenlijk onderscheid met algemeen verbindende
voorschriften die zijn gebaseerd op een bevoegdheid tot regelgeving en als zodanig ook
onvoorwaardelijk en zonder uitzondering binden.
Uit de hiervoor in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb gegeven omschrijving kan worden
opgemaakt dat beleidsregels betrekking kunnen hebben op twee mogelijke vormen van
beslissingsruimte, namelijk enerzijds op beleidsvrijheid (omtrent de afweging van belangen) en
anderzijds op beoordelingsruimte (de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke
voorschriften). Een verder onderscheid tussen deze twee mogelijke vormen van beslissingsruimte
wordt niet gemaakt. Van belang is nog wel om op te merken dat het voor de rechterlijke toetsing wel verschil maakt wat het onderwerp is van de beleidsregels. Daar waar het bestuursorgaan een grote mate van beleidsvrijheid heeft zal de rechter slechts zeer terughoudend, marginaal, toetsen.
Naarmate de beslissingsruimte veel meer als beoordelingsruimte voor het bestuursorgaan kan
worden gekwalificeerd, zal ook de rechterlijke toets indringender en vollediger zijn en kan de
rechter zijn interpretatie in de plaats stellen van die van het bestuursorgaan.
Het stellen van nadere beleidsregels is uitsluitend mogelijk voor zover de geldende wettelijke
regels ruimte laten voor een nadere invulling door het bestuur. In aanvulling hierop kan nog
worden opgemerkt dat door de wetgever niet expliciet behoeft te worden aangegeven of een
bestuursorgaan beoordelingsruimte heeft. Ook zonder dat dit uitdrukkelijk is bepaald kan in een
bepaalde situatie beoordelingsruimte voor het bestuursorgaan worden aangenomen.
Mocht het daartoe bevoegde bestuursorgaan uiteindelijk gebruik gaan maken van de mogelijkheid om beleidsregels vast te stellen bij de uitoefening van een bevoegdheid dan geldt volgens artikel 4:82 van de Awb een minder zware motiveringsplicht bij het nemen van een besluit.
Er kan in die situatie worden volstaan met een enkele verwijzing in de beschikking naar het op dat punt geldende beleid. Wel dient te allen tijde te worden nagegaan of er wegens bijzondere
omstandigheden aanleiding is om af te wijken van het geldende beleid.
Tot slot nog de opmerking dat, voordat beleidsregels gaan gelden, ze op een juiste en deugdelijke wijze en met inachtneming van de Awb, met name de artikelen 3:42 en 4:83, bekend dienen te worden gemaakt. Dit gebeurt door kennisgeving van de beleidsregel of van de zakelijke inhoud ervan in bijvoorbeeld een lokaal huis-aan-huisblad.
In dat verband is het ook wenselijk om in het beleid overgangsrecht op te nemen voor ten tijde
van de inwerkingtreding van de beleidsregel al bestaande situaties. Betrokkenen wordt een redelijke termijn gegund waarbij ze kunnen wennen aan de nieuwe beleidsregels en eventueel hun
situatie daarop gaan aanpassen. Voor nieuwe gevallen kan worden opgenomen dat de beleidsregel direct en onverkort zal gaan gelden.
4.2 De juridische basis voor briefadressen.
In artikel 49, eerste lid, van de Wet GBA staat vermeld in welke twee situaties burgemeester en
wethouders een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie kunnen opnemen. Artikel 49
voornoemd, luidt als volgt:
Artikel 4:84