Het rooster van de medewerker wordt ingevuld binnen de openingstijden van de kantoorpanden en/of van het servicepunt en de publieksbalies.
De leidinggevende maakt afspraken met de medewerker over de invulling van dit rooster.
De leidinggevende maakt afspraken met de medewerker over zijn werkzaamheden, verlof en planning van de werkzaamheden – jaarlijks voorafgaand aan het kalenderjaar.
Tweemaal per jaar overlegt de leidinggevende met de medewerker over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.
De leidinggevende geeft aan op welke momenten de medewerker aanwezig of beschikbaar moet zijn (bijvoorbeeld voor afdelingsoverleg of bijeenkomsten).
De organisatie bepaalt de normen voor een adequate bezetting. Er moet sprake zijn van een zodanige bezetting van een afdeling of taakveld dat de bedrijfsvoering op het gewenste kwaliteitsniveau is waardoor een optimale klantbediening mogelijk is. De normen hiervoor worden vastgelegd in het afdelingsplan.