Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 4

Het besluit tot het opleggen van een maatregel

Onderdeel van Maatregel- en boeteverordening inkomensvoorzieningen Zaanstad 2015

Als de belanghebbende naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in de op hem van toepassing zijnde wet(ten) en verordeningen, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig de bepalingen in deze verordening de bijstandsnorm verlaagd. In het besluit tot het verlagen van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ wordt in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Bij het vaststellen van de verlaging, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met: De ernst van de gedraging; De mate van verwijtbaarheid; De omstandigheden van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel