Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden.
Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het vertagen van de norm indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college geheel of gedeeltelijk afziet van het verlagen van de norm op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan middels een besluit op de hoogte gesteld.
Hoofdstuk
Artikel 5.
Afzien van het verlagen van de norm
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Alkmaar 2015