Een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het toepassen van de verlaging aan de belanghebbende is bekend gemaakt, indien over deze periode de norm reeds is verlaagd of er geen recht op de uitkering of voorziening bestaat wegens inkomsten boven de norm in die maand, vindt de verlaging aansluitend op deze periode plaats. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm.
In afwijking van het eerste lid kan bij een nieuwe aanvraag de norm worden verlaagd vanaf de datum van ingang van de uitkering of voorziening. De norm hoeft dan niet te worden herzien.
Als een verlaging niet of niet geheel (meer) ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging van de uitkering of voorziening, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen 90 dagen opnieuw eenzelfde uitkering of voorziening aanvraagt.
Hoofdstuk
Artikel 6.
Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Alkmaar 2015