Naar hoofdinhoud
De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in vier categorieën. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging ernstiger naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Eerste lid De eerste categorie betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het (standaard) trajectplan, te ondertekenen. De uitkeringsgerechtigde is verplicht om zijn individuele trajectplan te ondertekenen en weer in te leveren, zodat geen misverstand kan ontstaan over de verplichtingen die over en weer gelden. Onderdeel b betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het WERKbedrijf en ingeschreven te blijven. Tweede lid De tweede categorie betreft de verplichting van de uitkeringsgerechtigde om zich actief op te stellen op de arbeidsmarkt. Van de uitkeringsgerechtigde wordt verwacht dat hij activiteiten verricht die zijn gericht op een zo snel mogelijke inschakeling in het arbeidsproces, zoals het op eigen initiatief voldoende solliciteren naar geschikte arbeid, het inschrijven bij diverse uitzendbureaus en regelmatig informeren naar werk bij uitzendbureaus. De uitkeringsgerechtigde moet op tijd verschijnen op een afspraak die hij heeft bij bijvoorbeeld het WERKBEDRIJF, een reïntegratiebedrijf of een medisch adviseur. De uitkeringsgerechtigde moet het voor bijvoorbeeld de medisch deskundige mogelijk maken om informatie in te winnen bij zijn huisarts of medische specialisten, waarbij de uitkeringsgerechtigde onder behandeling staat. Derde lid In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Van de uitkeringsgerechtigde wordt verwacht dat hij geen belemmeringen opwerpt die de inschakeling in de arbeid bemoeilijken. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan de houding van de uitkeringsgerechtigde tijdens een sollicitatiegesprek, het aanvoeren van steeds nieuwe argumenten waarom de uitkeringsgerechtigde niet ingeschakeld kan worden in het arbeidsproces, het aangeven van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de arbeid, het consequent weigeren van de uitkeringsgerechtigde om zich in te schrijven bij het WERKBEDRIJF en het aangeven dat de uitkeringsgerechtigde geen gebruik wil maken van de mogelijkheden om te reïntegreren op de arbeidsmarkt. De uitkeringsgerechtigde moet in voldoende mate mee werken aan bijvoorbeeld een sollicitatietraining, een werkstage, inburgeringcursus en een beroepsopleiding, voor zover wij dit noodzakelijk vinden. Ook moet de uitkeringsgerechtigde voldoende meewerken aan de uitvoering van het reïntegratieplan. Uitkeringsgerechtigden kunnen werkervaring opdoen via zogenaamde participatieplaatsen. Het college kan een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Van de uitkeringsgerechtigde wordt verwacht dat hij in voldoende mate gebruik maakt van een aangeboden participatieplaats. Vierde lid Bij de vierde categorie gaat het om het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. De laatstgenoemde gedraging kan zich voordoen voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, maar ook tijdens de bijstandsverlening. De uitkeringsgerechtigde is, om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering, verplicht naar vermogen arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Met het begrip algemeen geaccepteerde arbeid wordt arbeid bedoeld die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Hieronder valt zowel de reguliere betaalde arbeid, als de gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van de dienstbetrekkingen in het kader van de Wsw. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie worden uitgesloten. De uitkeringsgerechtigde kan geen eisen stellen aan de aansluiting van de arbeid aan het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en beloningsniveau. De uitkeringsgerechtigde moet ook arbeid van tijdelijke aard accepteren. Tot deze categorie wordt de situatie gerekend waarin betrokkene op verwijtbare wijze door eigen toedoen betaalde arbeid niet behoudt. Hierbij moet gedacht worden aan verwijtbaar ontslag, zelf ontslag nemen en het niet verlengen van een arbeidscontract op basis van de opstelling van de uitkeringsgerechtigde. Bij verwijtbare werkloosheid is er een verband tussen de hoogte van de gedraging en het salaris dat niet meer wordt ontvangen. De verlaging van de uitkering kan niet hoger zijn dan het salaris dat betrokkenen voorheen kreeg. Verspeelt de uitkeringsgerechtigde zijn recht op loondoorbetaling of een voorliggende voorziening (bijv. WW) dan wordt de uitkering 1 maand met 100% verlaagd. De verlaging van de uitkering kan niet hoger zijn dan de verspeelde rechten. Vijfde lid Op grond van artikel 3 weigert het college de Ioaw-uitkering blijvend wanneer het gaat om het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Een verlaging is niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel