**1..** Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB of artikel 13 Ioaw heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, dan wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
**2..** Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging op de volgende wijze vastgesteld:
**a..** bij een benadelingsbedrag tot € 2500,-: 10% van de norm gedurende een maand;
**b..** bij een benadelingsbedrag van € 2500,- tot € 5000,-: 20% van de norm gedurende een maand;
**c..** bij een benadelingsbedrag van € 5000,- tot € 7500,-: 40% van de norm gedurende een maand;
**d..** bij een benadelingsbedrag van € 7500,- of meer: 100% van de norm gedurende een maand.
**3..** Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB of artikel 13 Ioaw niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, bedraagt de verlaging, onverminderd artikel 2, tweede lid, 5% van de uitkering gedurende een maand.
**4..** Het percentage van de verlaging, genoemd in het tweede lid onder a,b en c en het derde lid wordt verdubbeld wanneer de belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging uit dezelfde categorie. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 7, tweede lid en het geven van een schriftelijke waarschuwing zoals genoemd in het zesde lid van dit artikel.
**5..** De duur van de verlaging wordt verdubbeld wanneer de belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd genoemd in het tweede lid onder d, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging uit dezelfde categorie. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 7, tweede lid en het geven van een schriftelijke waarschuwing zoals genoemd in het zesde lid van dit artikel.
6.Van het opleggen van de verlaging bedoeld in het derde lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 13.