Naar hoofdinhoud
Eerste lid Het verlagen van de uitkering kan op twee manieren: met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering (artikel 54 lid 3 WWB en 17 lid 3 Ioaw); of door middel van verlaging van de uitkering in de eerstvolgende maand(en). Het verlagen van de uitkering in de eerstvolgende maand(en), is de gemakkelijkste methode. Het recht op bijstand hoeft dan niet te worden herzien en terugvordering van te veel betaalde bijstand is niet aan de orde. Daarom is in dit lid vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand. Het opleggen van een verlaging naar de toekomst toe kan voor de uitkeringsgerechtigde onrechtvaardige gevolgen hebben. Dit doet zich voor wanneer sinds de verlagingwaardige gedraging en het daadwerkelijk opleggen van de verlaging een normwijziging heeft plaatsgevonden waardoor de uitkeringsgerechtigde ten tijde van het opleggen van een verlaging een hogere uitkering ontvangt. Die hogere uitkering leidt er dan toe dat hij/zij een zwaardere verlaging krijgt dan wanneer wij de uitkering met terugwerkende kracht hadden verlaagd. Om problemen te voorkomen wordt dan de hoogte van de verlaging afgestemd. Tweede lid Lopende uitkering Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de uitkeringsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet het recht op uitkering wel worden herzien. Daarnaast wordt de teveel verstrekte uitkering teruggevorderd. Nieuwe uitkering Raakt iemand verwijtbaar aangewezen op bijstand? Dan verrekenen we de verlaging direct met de toe te kennen uitkering. Van een herziening is geen sprake, omdat het recht op bijstand nog niet is vastgesteld. De verlaging kan direct in de toekenning worden meegenomen. Derde lid Wanneer verlagen naar de toekomst niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd, dan wordt het recht op bijstand herzien en het teveel betaalde bedrag van de uitkeringsgerechtigde teruggevorderd. Vierde lid Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een verlaging voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan toe is (rechtszekerheidsbeginsel). Wordt de verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan moet de verlaging worden herbeoordeeld. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB. De Ioaw kent deze bepaling niet. Met het oog op de rechtszekerheid hanteren we echter ook voor deze groep uitkeringsgerechtigden een herbeoordelingtermijn. De herbeoordeling vindt plaats binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Een marginale beoordeling volstaat. Er moet worden beoordeeld of het redelijk is dat de opgelegde verlaging wordt voortgezet. Daarbij wordt dan gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel